
Zoeken op maat
|
met belangrijke bijdragen van George Dalidakis; deze onderwerpen worden voortdurend bijgewerkt
Deel 1 | Deel 2 | Deel 3 | Deel 4
VENETIAANSE KAART VAN CHORA SFAKION Venetiaanse tekening en kaart van |
* door George Dalidakis |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
SFAKIAANSE KRIJGER, 1837 |
![]() Uit 'Travels and Researches in Crete', Vol. II, Captain Spratt, Londen 1865 |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
MODERNE JAREN (1898 - heden)In 1898 verklaarden de Grote Mogendheden Kreta als de "onafhankelijke Staat Kreta", onder zeggenschap van de Sultan van het Ottomaanse Rijk. Toch irriteerde het bestuur van Prins George de Kretenzers, die daarom in in 1905 on opstand kwamen, de beroemde "Revolutie van Ieriso". Aldus werd Prins George gedwongen af te treden ten gunste van de bevelhebber Alexandros Zaimis. Op dat moment bezegelde Eleftherios Venizelos, de grootste Griekse politicus, de geschiedenis van het Moderne Griekenland. In de periode 17 - 30 mei 1913 werd de definitieve unie van Kreta met Griekenland getekend en werd de Griekse vlag op Kreta geïnstalleerd.
De Griekse Onafhankelijkheidsoorlog tegen het Ottomaanse rijk begon in 1821 en onafhankelijkheid werd dus bereikt in 1830. Met hulp van de "Grote Mogendheden" (Brittanië, Frankrijk en Rusland) werd een monarchie gesticht. Een Beierse prins, Otto, werd tot koning gekroond in 1833. Hij werd 30 jaar later afgezet, waarop de "Grote Mogendheden" een prins kozen van het Deense vorstenhuis Glucksberg als zijn opvolger. Hij werd George I, Koning van de Hellenen.
Het Megali Idea (Great Idea, Grote Idee), de visie om alle Grieken te verenigen uit het tenondergaande Ottomaanse rijk in de nieuwe Griekse staat kreeg grote invloed. Ten tijde van de onafhankelijkheid had Griekenland een oppervlakte van 47.515 vierkante kilometers. Tot 1947 werd het land uitgebreid, geheel tegen de zin van de grootmachten, die stabiliteit in de regio wensten. Zie het bovenstaande kaartje. Koning Konstantijn I (1913-1917 en 1920-1922) (bron: Wikipedia) Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, wilde de liberale politicus Eleftherios Venizelos - een wilskrachtige Kretenzer die in 1910 premier was geworden - zich, ter vergroting van grondgebied, aansluiten bij de geallieerden, maar Konstantijn, gehuwd met een zuster van keizer Wilhelm II van Duitsland, was pro-Duits. Dat gaf aanleiding tot vele strubbelingen en tot het ontslag en de verbanning van Venízelos. Onder druk van de geallieerden, die Athene bombardeerden, moest koning Konstantijn in 1917 troonsafstand doen, en met kroonprins George verliet hij het land om erger te voorkomen. Het Griekse volk deed zijn koning met bloemen uitgeleide. Franse troepen rukten Athene binnen, Venízelos keerde naar zijn land terug en verklaarde Duitsland de oorlog. Intussen was Konstantijns tweede zoon als Alexander I (1917-1920) koning geworden; hij was getrouwd met Aspasia Manos, de beeldschone dochter van een rijke Atheense burger. Het volk beschouwde echter de verdreven koning Konstantijn als een martelaar en noemde Alexander - in zijn koninklijk paleis een gevangene van Venízelos en de geallieerden - geen koning maar "prins (regent)". Na de Eerste Wereldoorlog kreeg Griekenland uitbreiding in Thracië ten koste van Turkije en Bulgarije (de Bulgaars West-Thracië en Turks Oost-Thracië); het verkreeg bovendien Smyrna en omgeving op de Turkse kust in Klein-Azië. In 1920 stierf koning Alexander I aan bloedvergiftiging ten gevolge van de beet van een aap, toen hij zijn hondje tegen een apenaanval verdedigde. Een volksstemming riep vervolgens zijn vader Konstantijn terug: hij werd met laaiende geestdrift ontvangen en premier Venízelos moest het land opnieuw verlaten. In 1922 speelde zich de hoogst ongelukkige oorlog tegen Turkije af, waartegen koning Konstantijn zich steeds had verzet. De Grieken waren vol van hun eeuwenoude droom: herstel van het Byzantijnse Rijk. Kemál Pasja Atatürk, de sterke man van Turkije, had de afstand van Smyrna en omgeving nooit erkend. De oorlog werd voor Griekenland rampzalig, het leed verpletterende nederlagen, de Turken staken Smyrna in brand en de Griekse bevolking vluchtte bij honderdduizenden, het Griekse leger sloeg aan het muiten. De slechte afloop van de oorlog leidde tot een militaire opstand onder leiding van de Venízelos-gezinde generaal Plastiras. Konstantijn kreeg de schuld en hij trad af om een burgeroorlog te voorkomen. Zijn oudste zoon volgde hem op als George II (1922-1923).
Geen enkel Europees land heeft zo gesold met zijn koningen als Griekenland: "een warmbloedig volk, een brandende en wankele kroon". In 1923 stierf Konstantijn I in ballingschap te Palermo aan een hersenbloeding. In datzelfde jaar schafte het parlement de monarchie af en riep de republiek uit. Na één jaar koning geweest te zijn, vertrok George II naar Londen. De (tweede) Griekse Republiek (1923-1935) Door de bevolkingsuitwisseling - Grieken uit Turkije, Turken en Bulgaren uit Griekenland - stond het arme en verdeelde Griekenland voor de taak bijna anderhalf miljoen uit Turkije en andere gebieden verdreven landgenoten onderdak, voedsel en werk te verschaffen. Grote onrust heerste er in het land: militaire opstanden, voortdurende wisselingen van ministeries, staatsgrepen, onlusten en dictatuur. In 1928 werd Venízelos weer teruggehaald, nadat zijn partij bij de verkiezingen de meerderheid had behaald. Hij bracht enige verbetering in de economische en financiële toestand en sloot vriendschap met Turkije. Maar in 1932 werd hij door de royalisten ten val gebracht en eens te meer verbannen. George II weer terug In 1935 besliste een volksstemming over het herstel van de monarchie en George II besteeg opnieuw de troon. De ernstige, eenvoudige en spaarzame vorst leefde als een eenzame in zijn kaalgeplunderde paleis. Na veertien ongelukkige huwelijksjaren had koningin Elisabeth (van Roemenië) zich van hem laten scheiden. De koning bestreed de corruptie in het leger en in de politiek, en kondigde amnestie af, ook voor Venízelos. Groot was de verdeeldheid in de politieke partijen. Door een staatsgreep werd de rechtse generaal Metáxas dictator; hij voerde de censuur in en interneerde vele tegenstanders.
De Landing op Kreta (Engels: Battle of Crete, Duits: Luftlandeschlacht um Kreta; Grieks: Μάχη της Κρήτης) (bron: Wikipedia) Deze begon op de ochtend van 20 mei 1941 in de Tweede Wereldoorlog toen Duitsland een luchtlanding ondernam onder de codenaam Unternehmen Merkur (Operatie Mercurius). Het was de eerste grootschalige luchtlandingsoperatie uit de geschiedenis, mede hierdoor hadden de landende troepen veel problemen met de landing en bevoorrading en een gebrek aan zware wapens. De operatie was succesvol in de zin dat het eiland veroverd werd op de verdedigende geallieerde troepen, maar de overwinning was zo kostbaar dat de Duitsers nooit meer een belangrijke luchtlandingsaanval zouden uitvoeren. Voorgeschiedenis Geallieerde strijdkrachten hadden het eiland bezet toen Italië op 28 oktober 1940 Griekenland aanviel. Hoewel de Italiaanse aanval in eerste instantie werd afgeslagen, verdreef de hierop volgende Duitse aanval 57.000 man geallieerde troepen van het vasteland. De Royal Navy evacueerden velen van hen, sommigen naar Kreta om het 14.000 man sterke garnizoen daar te versterken. In mei 1941 bestond de verdediging uit 10.000 man in 11 Griekse militia bataljons, het oorspronkelijke Britse garnizoen, en nog eens 25.000 man aan troepen van het Commonwealth die vanaf het vasteland waren geëvacueerd. De evacuees bestonden uit de typisch mix die bij haastige evacuaties ontstaat van in goede orde geëvacueerde eenheden onder hun eigen commando, en haastig bij elkaar gebrachte mannen door individuele leiders, en individuen zonder leider uit alle denkbare eenheden. Veel zware uitrusting ontbrak. De sleuteleenheden waren de 2de Nieuw-Zeelandse divisie (minus de 6de brigade en het divisiehoofdkwartier in Egypte), en de 6de Australische divisie en de 14 Britse brigade. De pantsereenheden bestonden uit 16 verouderde Cruiser Mk I tanks. De artillerie telde 85 kanonnen, vooral buitgemaakt Italiaans spul zonder richtapparatuur.
Kreta was voor de geallieerden belangrijk omdat het de Britse marine van uitstekende havenfaciliteiten in de oostelijke Middellandse Zee voorzag. Vanuit Kreta waren de Roemeense olievelden met bommenwerpers te bereiken. Vanuit het oogpunt van de as-mogendheden was het belangrijk dat de geallieerde basis op Kreta geëlimineerd werd, omdat het voor Operatie Barbarossa noodzakelijk was dat de zuid-oostelijke positie stevig in centrale handen was. Wanneer ook Malta aangepakt kon worden, zou de Britse positie in de oostelijke Middellandse Zee aanmerkelijk verzwakt worden. De Duitse aanval begon met bombardementen door de Luftwaffe die de geallieerde vliegtuigen uiteindelijk dwong naar Alexandrië uit te wijken. De Luftwaffe had hierdoor vrij spel boven het eiland. Op 25 april ondertekende Adolf Hitler directief nummer 28 met de opdracht tot de landing op Kreta. Omdat de in Alexandrië gestationeerde Britse marine-eenheden de wateren rondom Kreta controleerden, was een landing vanuit zee zeer riskant. Er was daarom besloten tot een luchtlanding. Hoewel luchtlandingsaanvallen in Noorwegen, Nederland, België en Frankrijk gebruikt waren, zou dit de voorgaande luchtlandingen in aantallen troepen overtreffen. De strategie zou zijn om met parachutisten sleutelposities als luchthavens te veroveren, waarna voorraden en versterkingen ingevlogen konden worden. Het XI Fliegerkorps werd verantwoordelijk voor een eenval door de 7de Duitse luchtlandingsdivisie, die met parachutes en gliders zouden landen, gevolgd door de 22ste Duitse luchtlandingsdivisie wanneer de vliegvelden veiliggesteld zouden zijn. De aanval was gepland voor 16 mei maar werd uitgesteld tot 20 mei; de 5de Duitse bergdivisie verving de 22ste luchtlandingsdivisie. Het geallieerde commando op Kreta werd voor de op handen zijnde invasie gewaarschuwd met inlichtingen die door Ultra onderschept en ontcijferd waren. Generaal Freyberg werd op de hoogte gebracht van het aanvalsplan, maar in algemene termen om de bron van de inlichtingen geheim te houden. Hij begon de verdediging van de vliegvelden te versterken, maar stuitte op de moeilijkheid dat door gebrek aan moderne uitrusting lichtbewapende parachutisten over dezelfde vuurkracht konden beschikken als zijn eigen troepen. De Duitse luchtlandingsdoctrine hield in dat kleine aantallen parachutisten direct bovenop de vijandelijke vliegvelden zouden landen. Deze zouden de verdediging moeten neutraliseren en luchtafweer onschadelijk maken. Hierna zouden grotere eenheden per glider kunnen landen. Na studie van de door de Duitsers gebruikte para-tactieken besloot Freyberg de vliegvelden onbruikbaar te maken. Hij kreeg echter een tegenbevel van het opperbevel voor het Midden-Oosten in Alexandrië. Deze meenden dat de luchtlanding tot mislukken gedoemd was nu het plan bekend was. Zij wilden de vliegvelden behouden voor een terugkeer van de Royal Air Force
Om 08.00 uur op 20 mei landen Duitse para's bij Maleme en Chania, kleinere vliegvelden gebouwd ter ondersteuning van het hoofdvliegveld bij Heraklion. Van deze strijdkrachten werd het merendeel door geallieerde strijdkrachten bij de vliegvelden in de pan gehakt. De gliders werden door mortiervuur binnen seconden na de landing geraakt. De Griekse en Commonwealth verdedigers doodden de uitstappende Duitsers bijna tot op de laatste man. Ironisch genoeg, zoals bij luchtlandingen bijna onvermijdelijk is, landen een aantal para's op de verkeerde plek. Deze namen verdedigende posities in bij het Maleme-vliegveld en bij de "gevangenen vallei" bij Chania. De Geallieerden stuurden eenheden om deze para's te omsingelen en isoleren. Griekse politie en cadetten waren eveneens in actie. Zij versloegen een Duitse landing bij Kissamos, en beletten Duitse bewegingen bij Kolimbari en Paleochora. Overal op het eiland voegde de Griekse bevolking, gewapend of ongewapend, zich met een door beide partijen onverwachte felheid in de strijd. In een opmerkelijk incident werd een Duitse para door een bejaarde Griek met zijn wandelstok doodgeslagen. Veel Duitsers vonden de dood door mes of knots in de olijfbossen en dorpen. Nadat zij over hun aanvankelijke schok heen waren, reageerden de Duisters naar de bevolking met minstens evenveel geweld. Een tweede Duitse aanvalsgolf arriveerde om 16.00 bij Rethimnon en Heraklion. Evenals bij de eerdere aanvallen waren de verdedigers paraat, en brachten de aanvallers zware verliezen toe. Bij het vallen van de avond hadden de Duitsers geen van hun doelen bereikt. Het riskante plan om op vier verschillende plaatsen aan te vallen, scheen gefaald te hebben, al tasten de Duitsers nog in het duister over de oorzaken. De Duitsers bij Maleme drongen echter langzaam de Nieuw-Zeelanders van de strategische heuvel 107, die uitzicht over het vliegveld bood. Het commando op Kreta besloot de volgende dag alles op alles te zetten in de strijd bij Maleme. Op de eerste dag had de Luftwaffe 593 transportvliegtuigen ingezet voor het transport van de troepen. Dag 2, 21 mei De volgende morgen bleek dat de Nieuw-Zeelandse infanterie zich per vergissing van heuvel 107 bij de verdediging van het Maleme vliegveld terug getrokken had. Hoewel hun artillerie doorging met het bestoken van het gebied, gaf dit de Duitsers de controle over het vliegveld. Terwijl een landing vanuit zee in de omgeving plaats vond, landen die avond Junkers Ju 52 transporttoestelen met eenheden van de 5de bergdivisie. Deze troepen namen direct na het landen positie in. Veel toestellen werden door artillerievuur geraakt, en het vliegveld raakte bezaaid met kapotte toestellen. De Duitsers slaagden deze en de volgende dagen er toch in om 14.000 man van bergjagers op het eiland te brengen. Dag 3, 22 mei Het geallieerde commando op Kreta, zich realiserend dat Maleme nu een sleutelgebied was geworden voor het behoud van het eiland, organiseerde een tegenaanval door twee Nieuw-Zeelandse bataljons in de nacht van de 21 op 22 mei. De vrees voor een landing vanuit zee betekende dat een aantal eenheden niet mee konden doen, hoewel de mogelijkheid tot een landing vanuit zee door een sterke aanwezigheid van de Royal Navy werd uitgesloten kwam dit bericht te laat om alle eenheden voor de tegenaanval vrij te maken. De strijdkracht viel 's nachts aan, op een tijd dat de oorspronkelijke paratroepen hun verdedigende posities hadden ingericht en de nieuw gelande bergtroepen moeilijk vanuit hun posities verdreven bleken te kunnen worden. De aanval mislukte, het vliegveld kon niet hernomen worden. Vanaf dit tijdstip werden de geallieerden gedwongen zich naar de oostelijke kant van het eiland terug te trekken, om niet door oprukkende Duitse troepen afgesneden te worden. Terugtocht, 28 - 31 mei De Duitsers probeerden uit te breken uit hun bruggenhoofd, en na bombardementen door duikbommen-werpers slaagden zij hierin.
Gedurende de volgende vier nachten werden 16.000 man naar Egypte afgevoerd. Een kleiner aantal manschappen werd vanuit Heraklion afgevoerd. Deze schepen werden onderweg door de Luftwaffe aangevallen en leden zware verliezen. Op 1 juni gaven de overblijvende 5000 verdedigers van Sfakia zich over, hoewel velen de heuvels en bergen in vluchten en van daaruit de Duisters nog jaren last zouden blijven veroorzaken. Gedurende de evacuatie was admiraal Cunningham vast besloten dat de "marine het leger niet kan laten zitten". Toen generaals van het leger hun zorgen uiten over het aantal schepen dat hij zou kunnen verliezen antwoordde hij : "Het kost drie jaar om een schip te bouwen, het kost drie eeuwen om een traditie op te bouwen.". Maj. Alistair Hamilton, een compagniescommandant van de Black Watch had verklaard: "De Black watch verlaat Kreta wanneer de sneeuw berg Ida verlaat." De majoor zelf verliet het eiland niet: hij werd gedood door een mortiergranaat. Zijn mannen kregen opdracht in te schepen, en volgden dit met grote tegenzin op. Zij hadden het gevoel hun Griekse bondgenoten in de steek te laten. Hoewel hun zware uitrusting werd vernietigd, gaven vele mannen hun munitie over aan de Kretenzen die achterbleven om hun eiland tegen de Duitsers te verdedigen. Uitslag Geallieerde commandanten waren bezorgd geweest dat Kreta als springplank voor operaties tegen Egypte of elders in het Midden-Oosten zou worden gebruikt. Bij het begin van de operatie Barbarossa bleek echter dat de operatie door de as-mogendheden alleen defensief bedoeld was. De zware verliezen aan Duitse para's, de tweede maal na de mislukte luchtlanding bij Den Haag, betekende dat Hitler zou besluiten deze nooit meer op deze wijze in te zetten. Dit betekende, gezien de slechte communicatie in het Rode leger, dat een zeer effectief wapen niet in Rusland werd ingezet. Ook de voorbereidingen voor de inname van het vestingeiland Malta (Operatie Hercules) werd gestopt. Dit hoewel de inname van Malta en daarmee de inname van het Britse protectoraat Egypte in de eerste opzet een van de doelen van de bezetting van Kreta was geweest. Hiernaast ontstond op het eiland een zeer actief gewapend verzet, dat op haar hoogtepunt 50.000 man troepen van de as-mogendheden op het eiland vasthield. Het verzet bleef actief tot de bevrijding in 1945. De geallieerden waren ontzet door het effect van de parachutisten, en Sir Winston Churchill gaf bevel tot de opbouw van een Britse parachutisten eenheid. Geallieerde luchtlandingsoperaties zouden plaats vinden tijdens Landing op Sicilië, tijdens Landing in Normandië en de grote luchtlanding tijdens Operatie Market Garden. Verliezen De Duitsers gaven het verlies van 6200 man toe: 3714 doden en 2494 gewonden. De oorlogsbegraafplaats bij Maleme kent echter al 4500 graven. Geallieerde soldaten claimen op de 5de dag 900 Duitsers bij Rethimnon en 1250 bij Heraklion begraven te hebben. Het is daarom aannemelijk dat de Duitse verliezen aanmerkelijk hoger waren dan zij toegaven. Winston Churchill claimde dat de Duitsers meer dan 15.000 man verloren en Admiraal Cunningham meende dat de Duitsers 22.000 man verloren. Christopher Buckley geeft in het boek "Greece and Crete 1941" een voorzichtige schatting van 16.800 man. De geallieerden verloren 3500 soldaten: 1751 doden en vergelijkbaar aantal gewonden. Hiernaast verloren zij 12,254 Commonwealth manschapen en 5,255 Grieken die krijgsgevangen werden genomen. De marine betreurde 1828 doden en 183 gewonden. Na de oorlog zijn de geallieerde graven samen gebracht op het oorlogskerkhof Suda Bay War Cemetery.
Duitse bezetting van Kreta Een deel van de bevolking nam deel aan de strijd tegen de Duitse aanvallers en ging ook na de geallieerde overgave als partizanen door met de strijd. Duitse soldaten en gewonden werden gedood of vermoord. De Duitse troepen namen vergeldingsmaatregelen en represailles tegen de burgerbevolking. Zo schoten Duitse soldaten op 2 juni 1941 een onbekend aantal mannelijke inwoners van Kondomari neer. Tijdens de volgende jaren duurde het verzet tegen de Duitse bezetting voort. De bezetters begingen talrijke oorlogsmisdaden. Vele duizenden Kretenzische mannen, vrouwen en kinderen werden vermoord. In de gemeente Viannos werden op 14 september 1943 500 inwoners, meest vrouwen en kinderen neergeschoten. Op 21 mei 1944 omsingelden eenheden onder bevel van de Duitse commandant van de "Vesting Kreta", Generaal Bruno Bräuer de Joodse wijk van de stad Chania. Vluchtende inwoners werden neergeschoten. Alle anderen werden met een schip naar Griekenland afgevoerd. Slechts vier joodse inwoners zouden het overleefd hebben. Bruno Bräuer werd na het einde van de oorlog aan Griekenland uitgeleverd en ter dood veroordeeld. Met de eveneens wegens oorlogsmisdaden op Kreta veroordeelde generaal Friedrich Wilhelm Müller werd hij op 20 mei 1947 om 5 uur terechtgesteld. Een Kretenzische bron stelt het aantal Kretenzische burgers dat door Duitse acties gedood werd op 6,593 mannen, 1,113 vrouwen en 869 kinderen. De burgeroorlog, 1945-1949 Na de Tweede Wereldoorlog trachtten de communisten de macht in handen te krijgen, maar een Engels expeditieleger kwam de regering te hulp. De Verenigde Staten verleenden steun om de Russische expansie te voorkomen. Er heerste echter geen rust in het land, vooral niet in de noordelijke bergstreken die door de communisten werden beheerst. Ze kregen veel aanhang wegens de slechte economische, sociale en politieke situatie. In 1947 woedde de burgeroorlog op zijn hevigst; de regeringsgetrouwe troepen werden aangevoerd door generaal Papagos; de goedbewapende communisten, geleid door de stalinist Markos Vafiadis, sinds de vrijheidsstrijd tegen de nazi's beter bekend als 'generaal Markos', hielden strooptochten door het land en ontvoerden 26.000 Griekse kinderen naar communistische buurlanden. In 1948 verliep de strijd door het ingrijpen van een Engels leger, onenigheid onder de communisten, leveranties van Amerikaanse wapens aan de regeringstroepen en door gebrek aan wapens bij de communisten (Joegoslavië hield immers op te leveren na de breuk van Tito met Moskou). In 1949 keerde de rust weer dankzij het werk en het prestige van Papagos met zijn "Griekse volksbeweging". Koning Paul I (1947-1964) In 1947 werd de kinderloos gestorven George II opgevolgd door zijn broer Pávlos I (= Paul), die in 1938 gehuwd was met de vijftien jaar jongere Frederika van Brunswijk. Na de burgeroorlog had het land te kampen met grote problemen: veel huizen verwoest, het vee weggevoerd, een verbitterde mentaliteit. Het koningspaar spande zich in om de door de burgeroorlog ontstane menselijke wonden te helen. De regering financierde de terugkeer van de verdreven en gevluchte boeren naar de bergdorpen, verbood de communistische partij en interneerde vele communisten. In 1956 kregen de vrouwen kiesrecht. Het land genoot bij zijn wederopbouw grote financiële steun van de Verenigde Staten. Van monarchie naar republiek Het bleef roerig in Griekenland, ook na de dood van Paul I in 1964, onder de regering van zijn zoon en opvolger Konstantijn II, die huwde met prinses Anne-Marie van Denemarken. In 1965 ontsloeg de koning de socialistische premier Papandréou wegens een conflict over het door Papandréou gewenste ontslag van bepaalde legerofficieren. Langdurige kabinetscrises en onlusten waren het gevolg.
Op 21 april 1967 kwam door een staatsgreep de macht aan een groep van 9 legerofficieren - "de kolonels" - want "het land liep gevaar geleidelijk onder communistische invloed te geraken". De "sterke mannen" waren Papadópoulos (zie links) en Patakós. In december 1967 kwam koning Konstantijn II in verzet tegen de militaire junta, maar hij rekende vergeefs op steun van het volk en moest zich in ballingschap begeven.
Om een schorsing wegens het ontbreken van een democratisch bestel te voorkomen, trad Griekenland in 1969 uit de Raad van Europa. In 1973 verving de Griekse regering de monarchie door een republiek, met Papadopoulos als president. Bij het referendum van juli 1973 keurde 78% van de kiezers de nieuwe republikeinse grondwet goed. Na het verzet van de studenten van de polytechnische school te Athene volgde in november 1973 een militaire staatsgreep, die zonder bloedvergieten verliep. Papadopoulos werd door zijn medestanders van 1967 ten val gebracht: sindsdien zat hij een levenslange straf uit in de zwaarbewaakte gevangenis van Korýdallos, bij Athene, tot aan zijn dood op 27 juni 1999. In 1974 kwam de als balling in Frankrijk levende Konstantinos Karamanlis aan de macht, met zijn partij, de Nea Dimokratia ("Nieuwe Democratie"). Griekenland trad uit de N.A.V.O. als protest tegen het feit dat deze organisatie de Turkse invasie op Cyprus ongestraft liet. Bij een referendum werd het koningschap van Konstantijn II niet hersteld; 70% van de Grieken koos voor een republiek. In 1980 werd de 73-jarige Karamanlís tot president gekozen; Griekenland keerde terug in de NAVO en op 1 januari 1981 werd het lid van de Europese Unie. Griekenland in de Europese Unie Bij de verkiezingen in oktober 1981 voor het 300 zetels tellende parlement, behaalde de "PAnhelleense SOCialistische partij" ("PASOK") met 174 zetels de absolute meerderheid. Andreas Papandreou, zoon van de vroegere socialistische premier Giorgos Papandreou, werd minister-president. Hoewel hij aanvankelijk het lidmaatschap van de N.A.V.O. discutabel stelde, werd er in 1983 een nieuw verdrag gesloten, dat o.a. betrekking had op de Amerikaanse bases in het land. Papandreou voerde vele vernieuwingen in: de bruidsschat werd afgeschaft, kerkelijk en burgerlijk huwelijk werden gelijkgesteld, de eeuwenoude spelling ietwat vereenvoudigd en sociale hervormingen werden doorgevoerd. Hij erkende de P.L.O. van Yasser Arafat. De verhouding met buurland (maar erfvijand nr. 1) en N.A.V.O.-partner Turkije bleef gespannen, vooral na de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van het Turkse deel van Cyprus in november 1983. Papandréou, die van de Europese Unie royale subsidies voor zijn boeren wist af te persen, raakte echter steeds meer betrokken in allerlei financiële en emotionele schandalen. Aan zijn politieke carrière leek zelfs in 1989 een einde te zijn gekomen toen hij na twee ambtsperioden verpletterend verslagen werd door zijn tegenstanders van de (liberale) "Néa Dimokratía". De nieuwe premier Konstantinos Mitsotákis zag zich verplicht met onpopulaire maatregelen het economische puin in het land te ruimen. Regelmatig lag Griekenland met zijn E.U.-partners overhoop, o.a. door zijn houding tegenover de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië. Als orthodox-christelijk land koos Griekenland voor de kant van Servië, en weigert het de onafhankelijkheid van de vroegere deelrepubliek Macedonië onder die naam te erkennen, uit vrees voor Macedonische aanspraken op gebieden in Noord-Griekenland (De Grieken noemen het land "Skópia", naar zijn hoofdstad Skopje). In 1993 verloor Mitsotakis zijn parlementaire meerderheid nadat twee van zijn parlementsleden overstapten naar de scheurlijst ("Néa Ánixi", d.i. "Nieuwe Lente") van de aan de dijk gezette minister van Buitenlandse Betrekkingen Antonios Samarás. Er kwamen vervroegde parlements-verkiezingen op 10 oktober 1993, waarbij Papandréou - intussen door de rechtbank onschuldig verklaard - vrij onverwacht opnieuw naar de absolute meerderheid afstevende, en na vier jaar oppositie weer aan de macht kwam. Op 1 januari 1994 nam Griekenland het E.U.-voorzitterschap over van België; het conflict met "Skopje" dat zijn hoogtepunt bereikte in februari '94, toen Griekenland tegen zijn noorderbuur een streng handelsembargo instelde werd inmiddels -onder druk van de Europese partners- min of meer bijgelegd. Hoe dan ook heeft Griekenland als meest oostelijk gelegen E.U.-land zwaar te kampen met illegale inwijking, niet alleen vanuit Albanië en het voormalige oostblok, maar - via buurland Turkije - ook vanuit de moslimwereld.
Eind 1995 kreeg de zwaar zieke premier Papandreou (zie rechts) zodanige gezond-heidsproblemen dat hij in januari 1996 moest aftreden en enkele weken later overleed. Dat was voor Griekenland het einde van een tijdperk. De kersverse premier Konstantinos Simitís kreeg het reeds na enkele dagen aan de stok met grote buur Turkije, toen een grensgeschil om het onooglijke rotseilandje Imiá bijna ontaardde. Door toedoen van de Amerikaanse president Clinton kon een heuse oorlog vermeden worden. Uiteraard volgen de Grieken met argusogen de politieke instabiliteit in Turkije, waar bij de parlementsverkiezingen eind '95 de islamitische Refah-partij van Erbakán als grootse partij uit de bus kwam. Binnen de E.U. bleef Griekenland zich koppig verzetten tegen de toetreding van Turkije (E.U.-top van Luxemburg, eind '97), dat op zijn beurt volhardde in de halsstarrigheid over de Cyprus-kwestie. Bij de parlementsverkiezingen van maart 2004 werd de 'Nea Dimokratia' opnieuw de grootste partij van Griekenland, en kwam er een einde aan meer 10 jaar regering Simitis. Een juridisch aardigheidje: in juni 1996 werd eindelijk, na meer dan 2000 jaar een officieel vredesverdag gesloten tussen Athene en Sparta. Dat was er voordien nooit van gekomen.
Bron: MPA News Uitslag Griekse verkiezingen 2004- 7 maart 2004
Bron: Hellenic Republic Ministry of the Interior Uitslag Griekse verkiezingen 2007 - 16 September 2007
Bron: Hellenic Republic Ministry of the Interior Bronnen (onder anderen):
Deel | Deel 2 | Deel 3 | Deel 4
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Laatste update: 31 December, 2009 .
Copyright © World2C ™ Multimedia 1999 - 2010. Alle rechten voorbehouden.